Zingen op zee
Gouda en de zee
In 1784 werd in Gouda een collecte gehouden ter ondersteuning van de Goudse weduwen wier mannen bij het vergaan van het linieschip Drenthe waren verdronken. Op 13 december 1783 was de Drenthe, bewapend met 64 kanonnen, naar de Middellandse Zee vertrokken om daar de koopvaardijschepen tegen zeerovers te beschermen. Van de 450 manschappen die de Drenthe telde, waren er 24 afkomstig uit Gouda. In de Middellandse Zee stak een hevige storm op, die spoedig tot orkaankracht aanzwol. De zee kookte, bruiste en de golven bereikten een ongekende hoogte. De zeilen van de Drenthe sloegen aan flarden, het roer raakte onklaar en de masten braken af. Dit alles voltrok zich voor de ogen van de twaalfjarige adelborst Arnold Adriaan Buyskes, die zich aan boord van het fregat Medea bevond. ‘Ik stond nog op ’t halfdek rondom mij te zien, meenende het schip [de Drenthe], dat [ik] te loevert vooruitzag, [te] zinken, en terwijl ik daarna keek, hoorde ik iemand, die meede dwars te loefwaart over boord keek, zeer hard zeggen: “Mijn God dat is naar”’, aldus een hevig geschrokken Buyskes. Nadat de storm was gaan liggen, bleek dat niemand de ramp met de Drenthe had overleefd. Alle 450 opvarenden, onder wie de 24 uit Gouda afkomstige mannen, waren jammerlijk verdronken. Hun weduwen bleven in kommervolle omstandigheden achter. Voor hen was de opbrengst van de collecte meer dan welkom. Wat uit dit drama duidelijk naar voren komt, is dat veel mannen uit Gouda een bestaan op zee hadden. Dat was niet alleen in de achttiende eeuw het geval, maar ongetwijfeld ook in de negentiende eeuw.
Twee eeuwen later. ‘Vervloekt zijn alle hoeren van ’t eiland Curaçao’. Met deze prikkelende zin opende een artikel in de Goudse Post van 13 oktober 1993, bedoeld om mannen te ronselen voor een shantykoor in Gouda. Het idee sloeg aan, want enkele weken later ging het koor van start onder leiding van initiatiefnemer Paul de Jong. Inmiddels zingt het koor onder de naam West Zuidwest al bijna tien jaar shanties en seasongs. Ter afwisseling werden enkele projecten op stapel gezet en, wat nog belangrijker is, succesvol afgerond: in 1999 de maritieme musical ‘De zee trekt …’, een jaar later de CD ‘Heave away’ en in 2002 het theaterstuk ‘’t Vat’. Thans worden voorbereidingen getroffen voor de feestelijkheden rond het tienjarig bestaan van het koor. De rode draad door de jaren heen is het zingen van originele shanties geweest. Liedjes als ‘De klok van Arnemuiden’ en ‘Ketelbinkie’ zijn uit den boze, omdat ze nooit aan boord van de zeilschepen zijn gezongen.
Zeemansleven
Vanavond vraag ik uw aandacht voor de ontwikkeling van de zeilvaart na 1820, de scheepsgemeenschap, het werken aan boord van de zeilschepen en de vrijetijdsbesteding van de zeelieden. Tijdens het werk werden shanties, zeemanswerkliederen, veelal a capella gezongen, terwijl in de schaarse vrije uren de seasongs, ook wel forebitters genoemd, in het Nederlands zeemansballades, meestal begeleid door muziekinstrumenten, ten gehore werden gebracht. Voor de pauze staat het werken op de klippers en de shanties centraal en na de pauze de vrije tijd en de seasongs. Een aantal van de besproken liederen worden door het shantykoor West Zuidwest op authentieke wijze ten gehore gebracht.
Zeilvaart na 1820
Na het einde van de Napoleontische oorlogen maakte de handelsvaart een stormachtige ontwikkeling door. De pakketvaart die zich ontwikkelde, werkte met vaste tijden, hetgeen veel van de bemanning vroeg. Om het werk zo effectief mogelijk en krachten besparend te doen plaatsvinden, werden door de matrozen ter ondersteuning van hun werk ritmische liedjes gezongen. Een nieuw scheepstype, lang en slank, met een messcherpe steven, hoge masten en grote zeilen beheerste vanaf 1840 de wereldzeeën. Dit scheepstype, de klipper, in Amerika ontworpen en aldaar voor het eerst in gebouwd, vervoerde goederen en mensen sneller dan ooit tevoren over zeeën.
De openstelling van het Suezkanaal in 1869 was van grote invloed op de scheepvaart. De stoomschepen waren nu weken eerder op de plaats van bestemming dan de rond Afrika varende, van weer en wind afhankelijke zeilschepen. In datzelfde jaar werd ook de spoorwegverbinding tussen de oost- en westkust van de Verenigde Staten in gebruik genomen. De tijdrovende en gevaarlijke tochten rond Kaap Hoorn naar de havensteden van Californië behoorden daarmee tot het verleden. Desondanks slaagden de zeilschepen erin te blijven concurreren met de stoomschepen. Nog in 1890 was het aandeel van de zeilschepen in de wereldtonnage 41%.
Snelheid was voortaan het devies op de grote zeilschepen. Hoewel om economische redenen vaak chronisch onderbezet, braken de bemanningen dankzij enorme fysieke inspanningen aan de lopende band records. Zeilmanoeuvres, het werken aan de ankerwinches en de pompen werden door het zingen van shanties voor de zeeman draaglijker. Zij gaven aan het werk een ritme, terwijl de tekst hen van de rauwe werkelijkheid afleidde. Met het openen van het Panamakanaal kort na de Eerste Wereldoorlog liep de zeilvaart sterk terug. Dat betekende het einde van de shanties.
Scheepsgemeenschap
Een zeeman oefende niet alleen een beroep uit, maar maakte ook deel uit van een gemeenschap met eigen regels. Om daarin te kunnen functioneren, werd een nieuweling gedwongen zijn eigen opvattingen prijs te geven. Door hem aan vernederingen bloot te stellen, werd zijn persoonlijkheid ondergeschikt gemaakt aan het collectief. Hij werd bespot en was het slachtoffer van practical jokes, zoals het ophalen van de kompassleutel of het midden op zee op de uitkijk zetten om de postboot te onderscheppen waaraan hij een brief aan zijn ouders kon afgeven. Door zijn maten iets te drinken aan te bieden, kon de nieuweling veel onaangename handelingen afkopen. Daarnaast waren er de rituelen zoals de zeedoop bij het passeren van de evenaar door Neptunes en zijn gevolg. Niemand ontkwam aan dit ritueel, zelfs de scheepskat niet.
Een nieuwkomer leerde het vak van ervaren zeelieden. In eerste instantie door hun voorbeeld te volgen. Zo kon een aankomend zeeman naast een ervaren roerganger worden gezet om de kunst te leren. Daarnaast werd de nieuweling bij een ploeg ervaren zeelieden ingedeeld, zodat hij zich de basale werkzaamheden snel eigen maakte. Het leerproces ging snel, aangezien de ervaren zeelieden niet schroomden de nieuwkomer in weinig vleiende bewoordingen toe te spreken als er iets misging.
Werken
Het zwaarste en meeste ingrijpende werk was het onder zeil brengen van het schip. Nadat de zeilen waren aangeslagen en in orde gebracht, werd het anker gehieuwd. Nog voordat het anker boven water was, werd de zeilen gehesen. Eenmaal onder zeil moesten bij het draaien van de wind de ra’s worden gesteld, hetgeen veel van de matrozen vergde.
Op volle zee legde de bemanning zich toe op het onderhoud van het schip. Het dek schrobben was een onderdeel van de ochtendroutines aan boord. Een van de meest verafschuwde werkzaamheden aan boord was het schuren van de houten dekken met een stuk zandsteen. Koperpoetsen, een werkje dat vaak werd opgedragen aan leerlingen, was eveneens weinig populair. Het schip werd tijdens de reis zowel aan de binnen- als buitenkant geschuurd en geverfd. Verder werden alle delen van het staand tuig geolied of geteerd. Het onderhoud van het lopende tuig vereiste specifieke vaardigheden zoals splitsen en het aanbrengen van takelingen. Veel uren werden verder besteed aan het repareren van de zeilen. Een van de zwaarste en meest eentonig werkzaamheden aan boord was het iedere wacht leegpompen van het schip.
Over het algemeen zorgde de bemanning zelf voor de lading: laden, lossen en zeeklaar maken. Dit was zwaar werk omdat vrijwel alles met de hand moest gebeuren. Veelal nam dit werk een of meer maanden in beslag. Ook op zee vereiste de lading aandacht. Er werd op toegezien dat de lading niet beschadigde, nat werd, ging schuiven of vlamvatte.
Het vervoer van het snel ontvlambare salpeter was niet van gevaren ontbloot. Vandaar dat het afladen in de salpeterhavens aan de Zuid-Amerikaanse westkust met vaste rituelen gepaard ging. Onder luid gejuich werden de laatste zakken, waarop de Mozes, het jongste bemanningslid, plaats had genomen, driemaal op en neergehaald. Aansluitend werd een dronk uitgebracht. Na het invallen van de duisternis werd het Zuiderkruis gehesen, een groot houten kruis waaraan rode en witte lampen waren bevestigd. Het laatste deel van de ceremonie vond ’s ochtends plaats. Dan kwamen de schippers van de achterblijvende schepen aan boord om afscheid te nemen van hun collega, terwijl hun bemanningen meehielpen het anker binnen te hieuwen.
Shanties
De shanties of zeemanswerkliederen kunnen al naar gelang hun functie in twee hoofdcategorieën worden verdeeld: liederen die werden gezongen bij het bedienen van werktuigen als kaapstanders en pompen, de heaving shanties of spilliedjes, en liederen die ten gehore werden gebracht bij het hijsen van de zeilen, de hauling shanties of trekliedjes. De matrozen brachten de kaapstander in beweging door tegen de spaken te duwen. Op deze wijze werd het anker gehieuwd of het schip verhaald. Het werk aan de kaapstander was langdurig en overwegend eentonig. De liedjes die bij deze werkzaamheden werden gezongen, bevatten de nodige tekst. Nog saaier was het bedienen van de pompen, die in een eindeloze cadans op en neer werden bewogen. Korter, heftiger en ritmischer waren de shanties die bij het hijsen van de zeilen werden gezongen.
Het anker hieuwen geschiedde in fasen, elk begeleid met bijbehorende shanties. Eerst werd de slack uit de ketting gehieuwd. Deze activiteit vereiste nog niet zo’n zware inspanning zodat de liedjes relatief snel werden gezongen. Naarmate de slack minder werd en het schip zich verplaatste, werd het werk zwaarder en werden de liedjes langzamer gezongen. Lag het schip eenmaal boven het anker, dan stopte het zingen en werden bij het lostrekken van het anker uit de grond slechts kreten geslaakt. Was het anker eenmaal boven water, dan moest het worden geborgen. Ook dit ging gepaard met het zingen van shanties.
Ook de behandeling van de zeilen kende verschillende typen shanties. Het hijsen van de relatief lichte topzeilen ging gepaard met het zingen van snelle hand-over-hand-liederen of loop-weg-shanties. Dit in tegenstelling tot het hijsen van de grote zeilen die veel zwaarder waren hetgeen meer inspanning vergde. In die gevallen werden de halyard-shanties gezongen. Het stellen van de ra’s was eveneens zwaar werk dat veelal door kortregelige shanties werd begeleid.
Liederen gezongen bij speciale gelegenheden
Tijdens het hijsen van het salpeterkruis klonk het lied Hamborger Veermaster. Onder het zingen van de shanty Rolling Home werd het salpeterkruis weer neergehaald. De plechtigheid van het dode paard was kenmerkend voor Engelse zeilschepen. Bij het aanmonsteren kregen de zeelieden een voorschot dat veelal nog diezelfde avond werd uitgegeven. Na een maand was dit voorschot terugverdiend. Vanaf dat moment begonnen de zeelieden voor hun gevoel pas echt te verdienen. Zij beschouwden het werken gedurende die eerste weken als werken voor het dode paard, met andere woorden het doen van vergeefse moeite. Om dat te symboliseren maakten de mannen een paard van oud zeildoek en vulden dat op met afval. Het ‘paard’ werd opgehesen en aan het eind van de ra vastgemaakt. Hierna werd het lied The Dead Horse gezongen. Tot slot werd het touw doorgesneden en viel het ‘beest’ in zee.
Vrije tijd
De hoeveelheid vrije tijd waarover een zeeman beschikte, was sterk afhankelijk van het type schip, de grootte van de bemanning, het aantal havens dat werd aangedaan en bovenal van het weer. Veel vrije tijd ging op aan slapen, eten en het wassen en verstellen van de kleding. Menig zeeman hield zich bezig met handenarbeid en volkskunst. Zo was het maken van knopen een kenmerkende bezigheid aan boord van zeilschepen. Andere bezigheden vormden het maken van plattings en soms ook breien, naaien of haken. Ook het decoreren van de zeemanskist aan zowel de binnen- als buitenzijde was een geliefde bezigheid. Veel zeelieden waren bedreven in het maken van modelschepen en andere voorwerpen van hout. Het belangrijkste gereedschap daarbij was een knipmes. Tatoeëren gebeurde niet uitsluitend door specialisten aan de wal, maar vond ook aan boord plaats.
Omdat er weinig boeken aan boord waren, nam lezen niet veel vrije tijd in beslag. Verder overleefden boeken veelal de aantasting door het zeewater niet, terwijl er ook pagina’s werden gebruikt om er sigaretten van te maken of als toiletpapier. Bovendien was het gebrek aan voldoende licht in het vooronder moeilijk om een boek te lezen. Het belangrijkste leesmateriaal waren de brieven die de zeelui ontvingen. Deze werden zorgvuldig in de zeemanskist opgeborgen en op zee vele malen herlezen.
Veel tijd werd besteed aan het vangen van vissen en vogels. Makreel, vliegende vis, dolfijnen en haaien werden veel gevangen. Haaien dienden voor verschillende doeleinden. De gedroogde huid deed dienst als schuurpapier. De lever gaf olie voor de lampen en van de ruggengraad werden wandelstokken gemaakt. De kaak met scherpe tanden deden dienst al curiositeit. De staart van een grote haai werd aan het uiteinde van de boegspriet gespijkerd. Dit bracht volgens zeggen geluk.
Vogels maakten een belangrijk deel uit van het dierenleven rondom het schip. Het meest tot de verbeelding sprak de albatros, die werd omgeven door bijgeloof. Het doden van een albatros werd aanvankelijk gezien als een ongelukkig voorteken. Later vervaagde het bijgeloof en werd deze vogel frequent gevangen en gedood. De vogel verschafte de zeelieden materiaal voor allerlei zaken. De jongere vogels waren bovendien goed te eten.
Het vangen van vogels en vissen was meer dan een bezigheid voor praktische doeleinden: het zorgde ook voor emoties en sensatie. De haai bijvoorbeeld werd als een doodsvijand gezien. Daarnaast had deze tijdsbesteding een psychologische en sociale functie. Zo kon in perioden van windstilte het vangen van vissen een welkome afleiding vormen en het geknakte moreel weer enigszins opvijzelen. Bovendien kon het tot een verbetering van de onderlinge verhouding tussen de opvarenden leiden.
Tijdens rustige perioden werden verschillende vormen van sport, al dan niet in wedstrijdvorm, beoefend. Aangezien lichaamssterkte een statusmiddel was, waren wedstrijden waaraan lichaamskracht te pas kwam populair. Zo was boksen een populaire sport aan boord, in het bijzonder op Britse schepen. Ook minder opwindende vormen van vermaak als dammen en kaarten kwamen voor.
Veel vrije tijd werd gevuld met conversatie en het vertellen van verhalen. Er was verschil in gespreksonderwerp op uitgaande en thuis varende schepen. Bij het vertrek naar zee waren de mannen vol van hun belevenissen in de haven en wilde hun avonturen graag vertellen. Uiteraard hadden verhalen over vrouwen de overhand in de geïsoleerde mannengemeenschap. Tijdens de reis vormden het schip, de kapitein en het voedsel belangrijke gespreksonderwerpen. Ook de wind en de weersverwachting, de snelheid en de positie van het schip dagelijks onderwerp van gesprek.
Het vertellen van amusante, onderhoudende verhalen werd zeer op prijs gesteld. Vooral de ouderen met jaren ervaring voerden het woord. Naar goed gebruik moest eerst enige druk op de verteller worden uitgeoefend alvorens hij zijn verhaal ten gehore bracht. ‘Garen spinnen’ was de zeemansuitdrukking voor het vertellen van een onderhoudend verhaal. De verhalen konden allerlei onderwerpen hebben, variërend van vreemde verschijnselen, wind en weer, intense koude en hitte, tot geesten en spoken. Uiteraard berustten veel van deze verhalen op fantasie en kunnen onder de categorie sterke verhalen worden gerangschikt. Belangrijk was de kracht die van het verhaal uitging. Niet het feit dat men loog was belangrijk, maar hoe men loog. Het sterke verhaal diende dan ook te worden verteld alsof de verteller het zelf had meegemaakt. De zeeman blonk vooral uit in het vertellen van zijn ervaringen waarin hij vrij was ze een weinig te romantiseren. Op sommige onderwerpen rustte een taboe: gevaren die de bemanning recentelijk hadden meegemaakt, het leven thuis en godsdienst.
Seasongs
Zingen was eveneens een populaire vrijetijdsbesteding. In de vooravond werden de seasongs, forebitters of zeemansballades gezongen. Deze liederen die uitsluitend tot vermaak dienden, bevatten veelal verhalende teksten van opmerkelijke gebeurtenissen aan boord of van avontuurlijke belevenissen aan de wal. Veelal betreft het eenvoudige volksliedjes die hun oorsprong aan de wal hadden, maar waarvan de tekst aan het zeemansleven was aangepast. Vaak werd het zingen begeleid door een mond- of trekharmonica, een banjo, een viool of een mandoline.
Teksten
De teksten waren louter voor mansoren bestemd. Een ander publiek was bovendien niet voorhanden. De vindingrijkheid van de shantyman kende geen grenzen. Hoe erotischer en dubbelzinniger zijn vaak zelf gedichte verzen waren, des te meer was hij verzekerd van de bijval van de manschappen in de vorm van een krachtige ‘haal’. Liedjes over vrouwen lagen het meest in de gunst van de zeeman. Eindeloos zijn de namen van meisjes die in de liedjes vereeuwigd worden. Vaak staan zij in relatie tot een haven.
De slechte levensomstandigheden aan boord kwamen evenzoveel in de liedjes voor als de thema’s afscheid en heimwee. Tezamen laten de teksten het gehele spectrum van het zeemansleven uit die tijd zien. Omdat steenkolenengels de voertaal aan boord was, zijn veel shanties in gebrekkig Engels geschreven. Toen de dominantie van de Engelsen en Amerikanen op de wereldzeeën terugliep, ontstonden er ook shanties in andere talen. Veelal waren Franse, Scandinavische en Duitse liederen vertalingen van Engelstalige shanties.
Melodieën
De herkomst van de melodieën is veelvuldig.
Veel invloed hadden de uit Afrika afkomstige tot slaaf gemaakten. Van hun nakomelingen namen Europese en Amerikaanse zeelieden de uit Afrika afkomstige melodieën over. Zeelieden werkten namelijk vaak in de wintermaanden op de katoenplantages. Vanwege de toegankelijke melodieën namen zij de liedjes van de slaven of delen daarvan mee naar hun schepen. Daarnaast ontwikkelden de tot slaaf gemaakten, toen zij eenmaal de Engelse taal beheersten, ook nieuwe liedjes, die zij zongen bij hun eentonige gedwongen arbeid zoals het katoenplukken. Ook de liedjes van de Noord-Amerikaanse spoorwegarbeiders, vaak van Ierse komaf, evenals de liedjes van de gouddelvers en houthakkers vonden, veelal zonder tekstveranderingen, hun weg naar de zeilschepen. Minstreelliedjes, gezongen door reizende witte straatzangers, die de levenswijze van de Afrikanen bespotten, werden eveneens, voor zover de melodie zich daartoe leenden, in het repertoire van de zeelieden opgenomen.
Nico Habermehl, 20 oktober 2003.

Vergaan van het schip Drenthe, (Carel Fredrik Bendorp. 1784, Rijksmuseum Amsterdam)